Stranger in Tinseltown

de randomness van een vreemde

Kade december 11, 2006

Gearchiveerd onder: Gekreukt papier — tinselstranger @ 10:40 pm

Samen wandelden ze langs de kade, hand in had, op de achtergrond het rustig kabbelende gefluister van het kanaal. De ondergaande zon kleurde de romige wolkjes suikerspin roze en zette de hemel in brand. Schaduwen werden donkerder en de omgeving kreeg steeds meer contrast. Geen van beiden sprak een woord, want geen van beiden wou het gelukzalige moment doorbreken.

Maar het leek er op dat de omgeving hun toch íets wou laten zeggen, al was het maar een door merg en been gaande schreeuw van afgrijnzen. De gebouwen links van hen begonnen te ruisen en te kraken als verdorde oude eiken in een broeierige zomernacht, de rivier begon te blubberen, koken en kolken als een wilde stroom van hete teer en de lucht zelf stond in lichterlaaie, alsof iemand een manier had gevonden om bloed zélf te doen branden.

Geen van beiden sprak een woord, want geen van beiden wou tonen aan de ander dat hij bang was, ze waren sterk voor elkaar. Ze knepen nog harder in elkaars hand.Het onkruid dat nog een ogenblik eerder rustig tussen te stenen gedijde begon als klamme, bemoeizuchtige vingers omhoog te klimmen en hen betastend te omklemmen. De stenen zelf verpulverden tot as.

Alles om hen heen leek genoegzaam en pesterig te gniffelen, alsof ze een stel spartelende spinnen waren waarvan net de poten met veel sadistische interesse waren afgerukt.

De één begon te schreeuwen, de ander klemde aan hem vast alsof zijn leven ervan af hing. De adrenaline schoot door hun aderen, gevolgd door de giffen van blinde woede en bodemloze wanhoop. En liefde. Heel veel liefde. Liefde voor elkaar, liefde voor het leven, liefde die aanzwol tot zón krachtige stroom dat het leek alsof ze elk moment uit elkaar konden barsten. Hijgend stonden ze daar. Hijgend, zwetend en roepend. De één riep zo hard dat zijn pezen als koorden op zijn natte rode huid lagen en de ander zweeg zo hard dat het leek alsof hij zou ophouden te bestaan, maar beidden putten kracht uit elkaar.

Elkaar en hun liefde.

Het onkruid begon gemeen beschuldigend te sissen. Het sissen kwam niet van de plant zelf maar van zijn bladeren, die als beledigde, angstige slangen naar achter kronkelden en tenslotte zich terug trokken in de grond.

De stille begon eerst klankloos te fluisteren. Hij fluisterde luider, en luider en LUIDER tot hij alles overstemde. LAAT ONS GAAN! LAAT ONS GAAN! Het was het krachtigste bevel dat iemand ooit gegeven had en er lag zoveel macht, liefde, verdriet, haat en passie in die woorden dat alles verstomde.

Er werd een geruststellend deken van bewolkte nacht over hen heen geworpen, een nacht zo droevig dat ze alles onderweende. Onderweende en uitdoofde.Zo gedijden ze daar, passioneel kussend en troostend, op hun knieën op de koude, harde mossige kasseien naast het kolkende water van het kanaal en in de geruststellende beschutting van de appartementsgebouwen.

 

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.