Stranger in Tinseltown

de randomness van een vreemde

Emotieflow mei 27, 2008

Gearchiveerd onder: Uncategorized — tinselstranger @ 1:10 am

Vanaf de eerste slagen op het toetsenbord weet ik al dat dit een slecht idee is, dat ik dit hoogst waarschijnlijk over een dag of twee, misschien langer zal verwijderen, maar nu moet het eruit. Het is ironisch dat ik het doe op een koude, lege, betekenisloze plaats als het internet, maar het is net die leegheid en anonimiteit die ik nodig heb om mij niet schuldig te voelen over wat ik ga zeggen. Nee, niet om wat ik ga zeggen, eerder om het feit dat ik het zeg. Als ik tegen mensen over mijn verleden vertel voel ik me snel schuldig, omdat ik het gevoel heb dat ik zaag, omdat ik het gevoel heb dat ik een zwaar leven achter de rug heb vol pijn en smart. Terwijl ik net, tijdens het typen tot inzicht ben gekomen dat ik meer goed dan slecht heb meegemaakt. Ik hem mezelf er gewoon nooit over laten nadenken. Tot nu dus. En het kan me compleet niet meer schelen dat ik tot het duizend-in-een-dozijn mensen behoor die zijn gevoelens hoerig over het internet uitsmeert, soms moet je het kunnen uitschreeuwen in een woestijn om gehoord te worden.

Tot zover de opening, nu dan maar de plotontwikkeling en expositie. Na een lange poos weigeren te leren en afleiding te zoeken in alle mogelijke gedachten, waarvan de meest frequenterende het her-inrichten van dit huis, had ik besloten te gaan slapen en de volgende ochtend gewoon vroeg op te staan om verder te leren. “Niet zonder eerst wat muziek” dacht ik, aangezien ik vandaag maar 2 of 3 liedjes had gehoord. En een dag niet geluisterd is een dag niet geleefd, mijn bescheiden mening. Dus nam ik m’n mp3 speler van niet nader genoemd merk mee in bed en begon aandachtig te luisteren naar de tekst. Iets wat ik normaal nooit doe en wat me opvallend veel rust gaf.

Vanaf dit punt ben ik eigenlijk gerust dat ik elke potentiële lezer al kwijt ben geraakt ik mijn gemijmer, dus ik kan naar hertelust verder typen, zonder angst. Tenzij iemand diagonaal aan het lezen is… Nuja, dus. Ik begon na te denken over mijn ex-vriendje, aan onze leuke momenten samen, wat ik daarbij voelde etc. En daar ligt net het probleem; ik voel niets. Al een hele tijd voel ik geen vreugde, liefde of empathie meer. Ik ben leeg vanbinnen, en dat zeurt. Ik heb altijd het gevoel dat ik niet aan het genieten ben, of dat ik niet kan genieten. Eén van de redenen waarom mijn ex mijn ex is; ik begon me gewoon te schuldig te voelen omdat ik altijd zo weinig voelde. Ik heb daarnet één en ander gemakshalve overgeslagen, maar ik moet echt alles eruit hebben.

Ik heb altijd een bepaalde toekomst voor mezelf gewild, een toekomst die altijd binnen handbereik leek, tot mijn vader van mijn stiefmoeder scheidde. Die herinneringen heb ik ook liggen oproepen, de herinneringen aan ons veilig gezinnetje, mijn vader, stiefmoeder, zus en ik. In die tijd had ik altidj het gevoel dat alles om mij draaide, ik deed compleet mijn zin, vaak naar de ergernis van mijn vader, maar tegelijk ook zijn goedkeuring. Niemand leerde mij echt kalmeren. Ik werd heel dubbel opgevoed. Maar afijn, daar straks meer over. Eerst: veilige haven bij vader, weggebroken, ik alleen achter. In die bepaalde toekomst zat ook een bepaalde visie van de ideale partner ingebakken. Mijn visie van de persoon die ik zou ‘verdienen’. Mijn ex voldeed niet aan dat beeld. Das zééér hard om te zeggen en is eigenlijk heel onrespectvol tegenover zijn prachtige persoonlijkheid. Ik bedoel eigenlijk; ik heb mij altijd iemand ingebeeld die 100% bij mij past, op vlak van muziek, overtuigingen, humor, intelligentie, hobby’s, interesses… En ik wéét dat zo’n mensen bestaan, of op z’n minst dat HIJ bestaat. Mijn ex is de allerliefste jongen in de hele wereld, en ex vind ik zo’n vies woord om hem mee aan te duiden (maar ik wil z’n echt naam niet gebruiken, dus doen we maar), maar we hadden zoveel meningsverschillen en ik ergerde me zo vaak aan hem, dan aan mezelf omdat ik me aan hem ergerde, dat ik het gewoon niet meer aankon.

Ik moet toegeven, ik voel een grote angst dat ik nooit die droompersoon zal ontmoeten en een leuke/ geweldige relatie heb ‘opgezegd’ voor niets.

Na de herinneringen aan de veilige haven bij mijn stiefmoeder (mijn vader vloog teveel uit om hem echt eer te geven) wou ik doorgaan naar het pesten. Ik wéét dat ik vroeger, in de lagere school en misschien zelfs in de kleuterklas, gepest ben geweest. En samen met de tweede scheiding zijn dat gebeurtenissen die mijn herinneringen aan mijn leven grijs hebben gekleurd. Zelfs zwart. Het zijn de twee redenen waarom ik eigenlijk niet terug durf kijken. Ik denk dat ik mezelfde pijn wil besparen, maar door dat te doen mijzelf ook verhinder het leven in een positief daglicht te bekijken. Dat en nog een ander ding dat ik zometeen zal verklaren. Ik probeerde dus die pest-herinneringen op te halen, en ik voelde een blokkade. Ik beeldde me in dat ik een doos/schuif opendeed en er alleen maar zwart uitkam/inzat. Ik wou het zwarte uit de doos, of de doos wegwerpen, maar dat ging niet. Of ik liet het niet toe, welke van de twee ook.

Dus ik kwam op het idee mijn eigen geheugen te besluipen via herinneringen aan het skiëen uit mijn jeugd, waarbij mijn moeder en stiefvader opvallend afwezig waren of werden gehouden. Ik heb het gevoel met hen nooit gelukkig te zijn geweest. Maar zoals al eerder gezegd, daar over zo meteen meer. Ik weet nu al dat ik deze tekst waarschijnlijk niet opnieuw zal overlezen. Het zou het beste zijn van wel, maar afijn. DUS: mijn herinneringen leken hun kleur te verliezen en op één of andere manier minder goed zichtbaar te worden, alsof ze kleine transparante icoontjes werden. En zo kwam ik terecht in de herinneringen van mijn schoolgaan. En dus normaal gezien ook het pesten. En daar zit net het vreemde; hoe hard ik ook probeerde met te denken aan dat pesten, wat er juist gebeurde en of er gepest werd, de beelden waren weg. Het was als in een politiefilm, waar ze zoeken naar een bepaald stuk pellicule en ze die niet meer op de filmband terug vinden. Ik zal later nog is terug proberen denken. Ik zag wel de voor-en de na’s van het pesten, of laat ons zeggen, de voor en de na’s die ik het vaakst voor de geest haal en dus het beste ken.

En na dat besef, dat die herinneringen weg waren, besefte ik ook dat ik dat helemaal niet erg vond. Dat ik daar ansich niet zo zwaar aan til. Dat het eerder iets anders is dat me ongelukkig maakt, of vaak neerslachtig doet zijn. En toen wist ik het. Internet & computers. Nee, niet zozeer die combinaties of die dingen apart, maar waar ze voor mij voor staan. Bij mijn stiefmoeder en vader was ik zoals al eerder gezegd gelukkig, ik werd er ondersteund, uitgedaagd, opgevoed, bemind. We gingen op reis met de tent, bouwden dingen samen, knutselden, lazen samen (de televisie stond niet vaak op), deden impulsieve dingen, speelden gezelschapsspelletjes… Bij mijn moeder was het één grote ijskast. Mijn stiefvader haatte mij, zat achter mijn zus aan (buiten mijn weten om) en mijn moeder deed niets. Ze wou mij altijd betuttelen, knuffelen. We keken altijd tv en praatten bijna nooit. Natuulijk zeiden we ieder ons ding, maar niet veel en niet vaak. We keken tv, mijn moeder haatte gezelschapsspelletjes en nee zeggen. Ik kreeg alles wat ik wou, buiten wat ik nodig had. Mijn vader klaagde altijd dat mijn zus en ik lastig werden als hij ons terug moest brengen naar mijn moeder. Dat we onbeleefd en onrustig werden. Niet moeilijk.

Een huis zonder regels en vol haat/onderhuidse frustraties/perversies (sms/watersport video’s op verschillende plaatsen, zoals bovenaan in de voorraadkast, dankuwel ouders) daar wil je uit wegvluchten. Maar wat als je niet weet hoe vrienden te maken? Wat als je gepest wordt en niemand hebt om naartoe te gaan? Wat als je niet aangezet wordt tot sociale interactie? (op dat vlak was het idem bij mijn vader, ze hadden zel niet veel vrienden en zagen het belang er niet van in, een gezin was genoeg, en dat was het ook als ik bij hun was). Maar dus; ik ging vluchten in internet. Ik had een computer met verbinding op mijn kamer staan en ik kon zagen voor beter bij mijn bijna-alles gevende moeder. Nee, da’s waar. Eest most ik nog beneden op de computer. Maar dat veranderde snel. Ik leerde mensen kennen op het internet, ook mijn geaardheid, ik leerde websites bouwen, grafisch ontwerp, crack sites vol blote vrouwen… En natuurlijk mijn geschiendenis wissen etc. Mijn wereld werd er één van lezen, sites bouwen en porno. Zelfs op zo’n jonge leeftijd (misschien ook normaal?) was dat hetgene dat ik vaak deed. Porno bekijken bij gebrek aan liefde.

Natuurlijk behoort veel van dit alles tot het verleden; ik heb geen veilige haven meer, ik heb geen idee meer hoe php werkt en ik heb genoeg vrienden om me heen en dingen om handen; maar toch blijft er die diepe frustratie. En ik denk dat het die frustratie is die mij ongelukkig houdt; na de scheiding tussen mijn vader en stiefmoeder ben ik permanent bij mijn moeder moeten gaan wonen. En nu woon ik op de plek die ik het meeste haat. Als ik niet het huis uit ben, zit ik op mijn kamer, voor de computer. Ik lees nog zelden, omdat ik me dan nog te pijnlijk bewust ben van het feit dat ik ben waar ik niet wil zijn. Des te pijnlijker is het als je moeder zich er van bewust is en je geluk nog steeds probeert te kopen en je porbeert bij haar te houden.

Nog pijnlijker is het als je je ingebeeld had dat je dit jaar gelukkig en vrij op kot zou zitten, of dat je weekendwerk zou doen om je appartement te betalen. Dat je in plaats daarvan blog posts zit te schrijven om 2 uur ‘s nachts en je de volgende dag examen hebt, maar dat je o zo ongelukkig bent en dat niet wilt zijn.

I feel lost and lonely.

 

Blauwe middag mei 29, 2007

Gearchiveerd onder: Inkt — tinselstranger @ 12:24 am

Afwezig staart ze uit het raam. De hemel is staalblauw. Het is een kille dag, en dat zie je.
Bomen met kale kruinen bakenen de horizon af, hun takken dragen de resten van vogelnestjes die doen denken aan de belofte van zomer.
Ze ziet vogels. Vogels die naar Afrika trekken, op zoek naar warmte.
Visioenen van grote poelen verkoelend water in modderige beddingen.
Waterplanten, bomen, steppengras.
Lucht zinderend van de hitte.
Badende olifanten, drinkende antilopen, sluipende leeuwen.
Een plotse rimpeling in het water, opvliegende vogels.
Pijn.
Haar zwaar ademende man omklemt haar blanke nek met zijn lompe hand en boort zijn priemende vingers in haar hals. Ze voelt zijn hete, zuur ruikende adem langs haar wang terwijl hij zijn greep verstevigt. Hij heeft haar nu stevig vast, tegenspartelen is zinloos, dat weet ze.
Zijn adem stinkt naar een mengeling van alcohol en de zure geur van rotting, alsof ze de vertering van zijn maag kan ruíken. Dat heeft ze altijd al gevonden, trouwens. Dat hij stinkt. Hij niet alleen, álle mannen. Ze stinken zo naar… man.
Naar zwijn. Mannen zijn zwijnen.
Alsof hij haar gedachten kan raden duwt hij haar hoofd met een luide knal tegen het glas van het keukenraam. Het zindert. Het bord dat ze aan het afwassen was valt in diggelen op de grond, rond haar naakte voeten. Haar handen komen terecht onder de straal kokend heet water die uit de zilveren kraan gutst.
Wanneer ze bekomen is van de withete pijn in haar voorhoofd, weet ze de kraan toe te draaien en haar handen te laten bekomen in het afgekoelde water van een vuile pan.
Heel die tijd geeft ze geen kik.
Ze denkt aan bijna niets.
De enige gedachte die als een mantra door haar hoofd maalt is:
‘mannen zijn zwijnen,
mannen zijn zwijnen
MANNEN ZIJN ZWIJNEN’.
Zijn vrije hand begint onder haar rode jurk tussen haar benen te tasten.
Ze verpinkt niet, dit is routine.
Zijn vieze, eeltige vingers zijn plakkerig porrende, priemende tentakels. Hij voelt zich een weg van aan haar knie, over haar binnendij naar haar intiemste plekje, haar vrouwelijkheid.
Haar spleet.
Het enige woord dat hij ooit gebruikt voor haar meest speciale plekje. Spleet. Alsof het een gat in de grond is waar hij alleen weet van heeft en waar hij af en toe zijn sluik komt storten.
Ze begrijpt niet waarom hij eigenlijk nog de moeite doet om haar daar te betasten, buiten misschien om eens te voelen of de gemeente haar spleet niet heeft dichtgegooid toen ze erachter kwamen dat het vol sluikstort zat.
Nát zal de spleet alleszins niet zijn, toch niet natter dan de Sahara in droogseizoen.
En dan is hij er.
Gelukkig wist ze dat dit ging volgen en had ze het aanrecht ter voorbereiding vast kunnen grijpen, want dit doet pijn.
Ze concentreert zich op de vers gevormde blaren op de rug van haar handen, kleine, witte heuveltjes vocht. Compleet door haar eigen lichaam gemaakt in minder dan 3 minuten.
Maar, de pijn is te hevig en te aanhoudend, ze kan hem niet negeren. Het is alsof je je tong bewerkt met een stuk grofkorrelig schuurpapier, het bloedt alleszins even veel.
Hij wordt ruwer en ze moet zich harder vastgrijpen om niet opnieuw tegen het raam terecht te komen.
En dan begint hij te grommen, diep te grommen. Een soort diepe, dierlijke oerkreet. Een zwijnenkreet.
Hoe? Hoe is dit ooit zover kunnen komen? Wat heeft ze ooit in hem gezien? Gelukkig zijn de kinderen niet thuis. Het spookt onvrijwillig door haar hoofd.
En dan komt het. Het afval, zijn GFT, grof huisvuil.
Zijn sluikstorting. Hij siddert even en leunt dan zwaar tegen haar aan. Hij haalt zijn klauw van haar nek en duwt met zijn poten zijn sluikstorting nog is aan.
Hij denkt dat het een bodemloze put is, maar zij weet wel beter. Ze zal zich moeten haasten.
Hij is klaar, hij rond af door nog is goed in haar borsten te klauwen en zijn gft aan haar zondagse jurk af te vegen en verdwijnt met de metalen klanken van een broeksriem die vastgegespt wordt. Die ziet ze gelukkig voor een tijd niet meer terug.
Zo sterk als ze was tijdens de daad, zo zwak is ze nu. Haar lichaam begint te beven en ze haast zich naar de douche en zakt in de kabine in elkaar.
Zijn afval loopt nu in kleine witte stroopmjes uit haar bloem, haar handen zitten onder de blaren en zelf plakt ze van het zweet. Met haar laatste krachten trekt ze zich recht aan de deurpost van de matglazen douchecabine en draait in één beweging de kraan open.
Tranen heeft ze allang niet meer. Die zijn al jaren geleden verdwenen, samen met haar waardigheid de deur uit, zonder één keer achterom te kijken. Het enige wat haar nu nog rest zijn de schaamte en het reinigingsritueel. Zich ontdoen van zijn vuiligheid en haar gevoel van onkuisheid die tot in haar poriën is doorgedrongen.
Zich schoonschrobben.
Tot bloedens toe.

 

Blood december 14, 2006

Gearchiveerd onder: Inkt — tinselstranger @ 11:09 pm

Blood that ends life
Blood that creates it

People who love it and
People who hate it

Blood that wakes children
It’s blood that makes them sleep

Blood that creates sorrow
Makes people weep
It’s blood that will end you
It’s blood that turns black

Blood that keeps flowing
And never comes back

 

Haat & Nijd december 14, 2006

Gearchiveerd onder: Inkt — tinselstranger @ 11:07 pm

Het Huis, werd een mierennest

De Haven een klif

Scherpe woorden krioelen achter blije gezichten

Knagen aan de vriendelijkheid.

En zij dan ongezien weer spuien

Over die ene

Haat en Nijd

 

No Roots december 14, 2006

Gearchiveerd onder: Inkt — tinselstranger @ 11:01 pm

What am I becoming?
What do they want from me?

What am I?
Who will I be?

Questions of a clueless mind
questions of a nobody
identity lost and gone.

no roots,
just branches growing free

 

Kade december 11, 2006

Gearchiveerd onder: Gekreukt papier — tinselstranger @ 10:40 pm

Samen wandelden ze langs de kade, hand in had, op de achtergrond het rustig kabbelende gefluister van het kanaal. De ondergaande zon kleurde de romige wolkjes suikerspin roze en zette de hemel in brand. Schaduwen werden donkerder en de omgeving kreeg steeds meer contrast. Geen van beiden sprak een woord, want geen van beiden wou het gelukzalige moment doorbreken.

Maar het leek er op dat de omgeving hun toch íets wou laten zeggen, al was het maar een door merg en been gaande schreeuw van afgrijnzen. De gebouwen links van hen begonnen te ruisen en te kraken als verdorde oude eiken in een broeierige zomernacht, de rivier begon te blubberen, koken en kolken als een wilde stroom van hete teer en de lucht zelf stond in lichterlaaie, alsof iemand een manier had gevonden om bloed zélf te doen branden.

Geen van beiden sprak een woord, want geen van beiden wou tonen aan de ander dat hij bang was, ze waren sterk voor elkaar. Ze knepen nog harder in elkaars hand.Het onkruid dat nog een ogenblik eerder rustig tussen te stenen gedijde begon als klamme, bemoeizuchtige vingers omhoog te klimmen en hen betastend te omklemmen. De stenen zelf verpulverden tot as.

Alles om hen heen leek genoegzaam en pesterig te gniffelen, alsof ze een stel spartelende spinnen waren waarvan net de poten met veel sadistische interesse waren afgerukt.

De één begon te schreeuwen, de ander klemde aan hem vast alsof zijn leven ervan af hing. De adrenaline schoot door hun aderen, gevolgd door de giffen van blinde woede en bodemloze wanhoop. En liefde. Heel veel liefde. Liefde voor elkaar, liefde voor het leven, liefde die aanzwol tot zón krachtige stroom dat het leek alsof ze elk moment uit elkaar konden barsten. Hijgend stonden ze daar. Hijgend, zwetend en roepend. De één riep zo hard dat zijn pezen als koorden op zijn natte rode huid lagen en de ander zweeg zo hard dat het leek alsof hij zou ophouden te bestaan, maar beidden putten kracht uit elkaar.

Elkaar en hun liefde.

Het onkruid begon gemeen beschuldigend te sissen. Het sissen kwam niet van de plant zelf maar van zijn bladeren, die als beledigde, angstige slangen naar achter kronkelden en tenslotte zich terug trokken in de grond.

De stille begon eerst klankloos te fluisteren. Hij fluisterde luider, en luider en LUIDER tot hij alles overstemde. LAAT ONS GAAN! LAAT ONS GAAN! Het was het krachtigste bevel dat iemand ooit gegeven had en er lag zoveel macht, liefde, verdriet, haat en passie in die woorden dat alles verstomde.

Er werd een geruststellend deken van bewolkte nacht over hen heen geworpen, een nacht zo droevig dat ze alles onderweende. Onderweende en uitdoofde.Zo gedijden ze daar, passioneel kussend en troostend, op hun knieën op de koude, harde mossige kasseien naast het kolkende water van het kanaal en in de geruststellende beschutting van de appartementsgebouwen.

 

En voor een tijd was het goed december 11, 2006

Gearchiveerd onder: Gekreukt papier — tinselstranger @ 10:32 pm

En voor een tijd was het goed 

Voorspoed en Vooruitgang vielen hun ten deel. Zij geloofden in de Rede en Wetenschap en bouwden hierop hun huis. Het huis was vol harmonie, schoonheid en gelach en allen waren zij tijdenlang onbezorgd en genoten zij van het gekozen leven.

Tot de komst van de profeet.

Lelijk als de nacht was zij, misvormd, oogloos met een gapende mond als een woordloze schreeuw. Haar lichaam verkrampt in eeuwige kwelling. Zij droeg het gewaad van de toekomst en zij brak het glas met haar bloedende handen en toonde hen de wereld. 

De wereld was vol pijn. De aarde kreunde onder het door de mens opgelegde juk, machines roeiden mensen uit als weerspannig onkruid en de vooruitgang zorgde voor armoede, dood en verderf.

En allen schreiden zij, allen waren zij wanhopig.Met lichamen vertrokken van pijn, verblind door haat en hun monden in een collectieve schreeuw van afgrijzen, braken zij Rede & Wetenschap af.En zo lag het huis in puin, want wat niet ondersteund wordt kan niet blijven bestaan, net zomin als een wijnrank groeien kan zonder de eeuwige steun van boom en tak. 

De wereld brandde en niemand die hem doven kon. Eén voor één stierven zij en niemand die nog kon huilen. Moeder natuur deed haar werk, wiste zij alle sporen en bloeide zij als weleer. 

En voor een tijd was het goed

 

De dans november 22, 2006

Gearchiveerd onder: Amour (ofzowiets) — tinselstranger @ 11:46 pm

Daar zat ik dan, in die prikkende, klassieke, groene fauteuil. Geen flauw benul van waarom ik er juist zat, alleen maar dat ik er zat en dat er van mij verwacht werd te kijken. Wie ben ik om te twijfelen aan sociale verwachtingen? Juist, mezelf. Dus ik zat al kauwend op mijn mouw te overpeinzen wat er hierna juist zou gebeuren en wat er van mij verwacht werd.
Toen ik de kamer van de prikfauteuil was binnengestapt, was mijn eerst dwalende blik blijven steken op een jongen. Welja, dé jongen, want er was er maar één in de hoop meisjes voor mij. Iets stak me dwars. Hij léék op iemand, maar op wíe? Zou het de broer van die tweeling zijn? Had ik hem al ooit eerder ontmoet? Was hij uit een vorig leven?
Zijn blik beantwoordde de mijne. Ik hield hem twee seconde vast en keek toen kauwend en zeer zelfbewust een andere kant op. Lekkere mouw, fascinerende jongen.
De lichten gingen uit. Onze gemeenschappelijke lerares (Is er een ander soort?) had hem en de twee meisjes van zijn groep al eerder gevraagd om mee te doen, PJ ging kijken, had ze aan iedereen uitgelegd.
PJ ging inderdaad kijken, maar naar wat?! Dat wist PJ niet. Nuja, je moet roeien met de riemen die je hebt, niwaar? En als je er géén hebt en je geen idee hebt hoe je je moet redden in het water, kan je nog altijd een hulplijn bellen. Terug naar de fauteuilkamer.
De lichten floepten uit. Spannend!
De kamer was plots vol van trippelende en tikkende geluiden. Gekreun en gezucht. (dubbelzinnig!) Hyperventilatie. (minder, maar toch) Snel gebonk. Naderende voeten, wanhopige mensen,.. . Een gil.
De lichten gingen terug aan en Katrijn en de haren scandeerden ‘Wij ben bang’ en van wat wij nu juist bang bende. Hoe vervoeg je zoiets anders?
Mogelijke-broer-van-de-tweeling jongen en zijn companen moesten die bangheid mee uitbeelden. Hij kwam echter niet veel verder dan wat kruipen en wat onverhuld zelfbewust gegniffel.
En dan, even plots als de muziek stopte was er… De Wals
Mevrouw de lerares riep mij bij haar en ik moest samen met haar de anderen aanzetten tot een sensuele wals. Ik werd knalrood, maar ik deed wat mij gevraagd werd. Hoe zou je zelf zijn in een kamer vol met onbekende mede-acteurs. Ik moest mezelf bewijzen, niwaar?
Na enkele vreemde rondjes wals werd ik de groep ingedraaid. Ik streelde de armen van een meisje dat ik ‘ns een paar keer op school had zien rondlopen en nam haar handen in de mijne en nodigde haar zachtjes doch dwingend mij te volgen in de 1-2-3, 1-2-3. Zo deed ik enkele meisjes af, tot ik er één tegenkwam die nogal zelfbewust en houterig haar hand in de mijne legde. Hoe zou je zelf zijn als je niet doorhad dat de meeste acteurs wel eens niet geïnteresseerd zouden zijn de in de polsen van een aantrekkelijk meisje maar in de verschijning van een jongen die onbereikbaar aan de andere kant van de kamer vreemde gebaren stond te maken.
Met een harde bonk viel iedereen plots op de grond, verteller incluus, en was de wals afgelopen. Het volgende halfuur probeerde ik nog wel eens af en toe een paar blikken te stelen van de jongen die Tom bleek te heten, maar tot een echt gesprek kwam het nooit. Zou ik hem ooit weer zien?

 

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.